Archined, 25 januari 2007
‘Polder Privatopias’, Like Bijlsma.
01.2007
Onderstaand de ingekorte tekst:

Steeds vaker verschijnen ze in Nederland, woonwijken met een privaat beheerde buitenruimte. In het boek Privé-Terrein, privaat beheerde woondomeinen in Nederland wordt de recente ontwikkeling onder de loep genomen. Voelen bewoners zich door deze vorm van beheer meer betrokken bij 'hun' openbare ruimte en komt het de kwaliteit ten goede?

In 1994 introduceerde Evan McKenzie de term Privatopia om de Amerikaanse woonwijk met geprivatiseerde gemeenschappelijke buitenruimten en voorzieningen te omschrijven. Momenteel beslaan dit soort wijken 40% van de nieuwbouw in de Verenigde Staten. Hoewel een fractie van de Amerikaanse situatie, gaat het fenomeen van het privaat beheerde woondomein ook aan Nederland niet voorbij. De publicatie Privé-Terrein, privaat beheerde woondomeinen in Nederland is de eerste studie die de Nederlandse versie van dit Amerikaanse model uitvoerig beschrijft. Centraal staat de vraag welke invloed privatisering heeft op de openbare ruimte.

Het boek bestaat uit een aantal essays en een praktijkonderzoek. De planoloog Barrie Needham en de jurist Aart van Velten gaan in op juridische aspecten. Stadssocioloog Arnold Reijndorp beschrijft hedendaagse, 'lichte' vormen van collectiviteit in de woonomgeving. Stedenbouwkundigen Stijnie Lohof en Harry den Hartog verzorgden een documentatie van twaalf gebouwde projecten. Zij leggen de nadruk op praktische aspecten zoals de ontwikkeling, het beheer en het dagelijks gebruik door bewoners. Aanleiding voor de studie is de verwachting dat dit type wijken in de toekomst vaker ontwikkeld zal worden en de gedachte is dat bewoners van deze buurten zich meer betrokken voelen bij hun omgeving dan bewoners van buurten waarbij het beheer in openbare handen is.

De studie laat echter zien dat van gedeelde verantwoordelijkheid en hechte gemeenschapszin nauwelijks sprake is. In een meerderheid van de bestudeerde projecten leven de bewoners vrij anoniem. Bewoners vormen in tegenstelling tot wat men wellicht zou verwachten vaak ook geen homogene groep. In die gevallen werkt de collectieve ruimte of de collectieve organisatievorm niet als binder maar eerder als buffer. Als in de Golf Residentie te Dronten een kat de golfbunker als kattenbak gebruikt, wordt niet de eigenaar van het huisdier, maar het bestuur van de vereniging aangesproken op het feit dat huisdieren niet los mogen rondlopen. En in Sveaparken te Schiedam is een handhavingsambtenaar aangesteld die moet letten op naleving van de regels ten aanzien van erfscheidingen en inrichting van de voortuin. Het collectief is daar geen platform voor inspraak en zeggenschap maar lijkt eerder repressief te werken.

De drijfveren van initiatiefnemers (gemeenten en projectontwikkelaars) en gebruikers blijken behoorlijk uiteen te lopen. Voor de projectontwikkelaar is het ontwikkelen van een woondomein met een daaraan gekoppelde collectieve of semi-publieke buitenruimte aantrekkelijk omdat dit de waardevastheid van zijn woonproduct zou garanderen. Gemeenten hebben twee motieven om private woondomeinen te stimuleren. Het eerste motief is een economische, ingegeven door de liberalisering: de beheerkosten worden gedrukt en de grondopbrengsten worden gemaximaliseerd als een terrein als geheel uitgegeven kan worden. Een geheel ander motief is het zeker stellen van de architectonische kwaliteit. In Sveaparken te Schiedam is beeldkwaliteit onderdeel van de erfpachtvoorwaarden. In het project Mariaplaats te Utrecht speelden cultuurhistorische waarden ten aanzien van binnen- en buitenruimte een belangrijke rol in de ontwikkelingsfase. Ook wordt de constructie gebruikt om een menging van functies af te dwingen. Op Landgoed Wittenoord wordt natuurontwikkeling met een woonprogramma gecombineerd; het gebied draagt hierdoor bij aan de duurzame ontwikkeling van de Gelderse Vallei. De drijfveren van bewoners zijn totaal andere: zij zijn eindconsumenten, die niet bewust voor collectief beheer gekozen hebben. In veel gevallen ervaren zij het als een last om de buitenruimte te moeten onderhouden en extra te moeten betalen voor voorzieningen als postbodes, vuilnismannen en straatverlichting. Als dan ook nog de kwaliteit van die ruimte niet hoger is dan normaal is de vraag wat bewoners winnen bij een privaat beheerde buitenruimte; de waarde van het vastgoed zou hierdoor wel eens negatief beïnvloed kunnen worden.

Ook stedenbouwkundige aspecten komen in de studie aan bod. Nederlandse woondomeinen blijken, in tegenstelling tot de Amerikaanse, niet volledig privaat te zijn. In de helft van de besproken projecten is een openbaar beheerd gebied of een openbare verkeersroute in het plan opgenomen. De enige projecten die echt als enclaveachtige 'gated communities' werken zijn de Golf Residenties. Deze zijn op geen enkele manier verweven met het omringende weefsel. Er is maar een toegangspoort en die is voor de auto bedoeld. 

Zie verder het artikel op www.archined.nl